Voor reisorganisatie K-jak heb ik de afgelopen 2 jaar vijf mooie reizen mogen maken in Zweden en Noorwegen om alles vast te leggen. Het waren zeer actieve en avontuurlijke reizen waarin je per kano reist over verschillende meren. Dit brengt een aantal ware fotografie uitdagingen met zich mee waar ik veel van heb geleerd. In deze blogpost lees je meer over de (technische) uitdagingen en hoe je hier mee om kunt gaan.

De uitrusting is erg belangrijk. Dit geldt eigenlijk altijd wel (ook al ligt het toch vooral aan de skills van de fotograaf), maar bij avontuurlijke reizen over het water is dat nog extra belangrijk. Je apparatuur wordt namelijk blootgesteld aan veel vocht, viezigheid en verschillendere temperaturen. Met name vocht is gevaarlijk en dat leerde ik “the hard way”.

1. Strijd tegen vocht: weather sealing genoeg?

Wellicht heb je het al eens voorbij zien komen: camera’s en lenzen die “weather sealed” zijn. Of in gewoon Nederlands: apparatuur met een weerbestendige afdichting. Over het algemeen doen camera fabrikanten dit enkel bij de dure en professionele modellen camera’s en lenzen. Weather sealing is er in verschillende gradaties: van “enigszins” beschermd (zoals de Canon 70D) tot aan “behoorlijk” beschermd (zoals mijn Canon 5D MK III en Canon 7D MK II). Ook lenzen kunnen dat zijn (bij Canon zijn enkel de duurdere “L”-lenzen dat – en ook daar niet iedere lens uit de serie).

Echter doet een dergelijke bescherming geen wonderen bij extreme vochtigheid. Beter dan niets, maar het is nog altijd erg belangrijk dat je je camera goed (droog) opbergt in een droge cameratas die het liefst weer gewikkeld zit in een waterdichte tas. Doe je dat niet, dan loop je het zeer reële risico dat je camera niet meer aangaat. Dat overkwam mij in Noorwegen nét voordat ik één van de mooiste hikes van mijn leven maakte. Mijn 5D MK III ging opeens uit en ging ook niet meer aan, wat ik ook probeerde. Gelukkig had goede vriend en mede-eigenaar van K-jak Jos van Pareren nog een Canon 700D bij zich waar mijn lenzen ook op passen en zodoende kon ik toch nog onderstaande foto’s maken.

Ook al dien je de Canon 700D als een instapmodel camera te zien: de foto’s behoren toch tot de betere. Hieruit blijk maar weer: het gaat om compositie, omgeving, timing, nabewerking en nog veel meer. Toch ben ik zelden zo gefrustreerd geweest want ik wist dat de foto’s beter waren geweest met mijn eigen camera. Gelukkig ging mijn camera na een paar dagen geduld en wat zonnen op droge rotsen weer aan, nét voor ik weer terug zou vliegen. Ook dat kan dus zeker helpen mocht het zo ver komen. De volgende keer neem ik zeker een backup body mee (heb onlangs de 7D MK II aangeschaft welke ik toen helaas nog niet had). Dit is wellicht niet voor iedereen een realistische optie. In dat geval dien je dus éxtra voorzichtig te zijn met je enige camera. Het kopen van een oude tweedehandse body is natuurlijk ook een optie. Let er dan wel op dat je deze goed en waterdicht bewaart in je cameratas. Dit kun je bijvoorbeeld ook doen door hem nog extra in te wikkelen in een waterdichte zip-lock bag.

2. Accu’s & SD kaarten: gaat altijd sneller dan je denkt

Neem voldoende Accu’s en SD kaarten mee. Dit heeft met een aantal factoren te maken. Allereerst simpelweg het gebruik. Je gaat mooie dingen zien en voor je het weet schiet je 150-250 foto’s per dag, zeker als beginnend fotograaf. Een low-end body is dan al vrij snel leeg, na een dag of 2 dus al. Houd er ook rekening mee dat oudere accu’s minder krachtig zijn en dat verschillen in temperatuur (met name wanneer het koud wordt zijn Lithium-ion-accu snel leeg) ook een grote rol kunnen spelen.

Wat vaak ook het geval is, is dat je na een dag hard werken alle foto’s terug wilt kijken in je tent of hut. Of je medereizigers vragen meerdere keren per dag of ze de foto’s mogen bekijken. Ook dat kost een hoop energie uit jouw accu aangezien je relatief grote LCD scherm dan continue aanstaat. Wat kun je hier tegen doen? Simpelweg extra’s accu’s meenemen. Hoe meer hoe beter. Ik adviseer voor een week avontuur toch minimaal 3 accu’s, liefst nog meer. Dit verschilt natuurlijk per cameratype, accutype, accukwaliteit en accu-ouderdom. Zelf neem ik er 5 mee die garant staan voor zo’n 4.500 tot 5.000 foto’s onder normaal gebruik.

Heb je perse de originele accu’s nodig? Absoluut niet. Aftermarket accu’s doen het ook prima (heb zelf goede ervaringen met Jupio) en kosten vaak ongeveer 1/3 van het origineel. Bij een fysieke camerawinkel vind je ze ook altijd, dan kosten ze 1/2 van het origineel. Het opnieuw opladen van je accu’s kan ook een mogelijkheid zijn, bijvoorbeeld wanneer je een auto in de buurt hebt (er bestaan converters- en aparte opladers voor) of zelfs draagbare zonnepanelen. Deze opties vind ik echter lastiger, zijn vaak duur, zwaar en soms zelfs onbetrouwbaar (want wat als het alleen nog maar bewolkt is?).

Tip: Werk je met een backup body zoals hierboven aanbevolen? Zorg er dan voor dat deze dezelfde accu’s nodig heeft als jouw primaire body. Dat scheelt weer extra ruimte en gewicht in je bagage.

Inherent aan het meebrengen van voldoende accu’s is het meebrengen van voldoende geheugen. Maar wat is voldoende? Aangezien veel fotograferen in het RAW-format kost een foto al snel 20-25 MB. Wil je RAW+JPEG opslaan is dit gemiddeld al snel 30 MB per foto. Voor een week lang fotograferen heb je dus al snel 35 GB nodig (250 foto’s per dag x 7 dagen x 0,02 GB per foto). En dan ga ik er nog van uit dat je geen video wilt opnemen…

De populaire standaarden van SD kaarten zijn 16-, 32- en 64 GB, die in de praktijk vaak ook net wat minder beschikbaar geheugen hebben dan waarvoor ze worden geadverteerd. 32GB zal dus niet genoeg zijn. Ook adviseer ik om niet één maar tenminste 2 SD kaarten mee te nemen. In dit geval is het dus wijs om 2x 32 GB mee te nemen, of 3×16 GB (en wissel om de 3 dagen kaartjes om zodat bij een mogelijke crash je slechts een gedeelte van je foto’s kwijt bent en niet allemaal). Ook is het verstandig om tussentijds back-ups te maken door ze op je laptop of op een externe schijf te zetten. De SD kaarten die je niet gebruikt kun je in een waterbestendige SD kaart houder bewaren (zoals de JJC Memory Card Case).

Professionele camera’s maken het ook mogelijk om zowel een SD als een CF kaart te gebruiken. Ik maak hier voor alle zekerheid gebruik van: mijn foto’s worden tegelijkertijd op een SD en CF kaart geschreven. Het crashen van SD kaarten is absoluut geen ondenkbaar scenario en is een risico dat je voor onvergetelijke reizen eigenlijk niet moet willen lopen!

3. Welke lenzen neem je mee?

Lenzen zijn je grootste vriend en je grootste vijand. Als je er meerdere hebt ben je al snel geneigd om ze allemaal mee te nemen, hetgeen resulteert in extra gewicht. Na de reis kom je er achter dat je er maar 2 of maximaal 3 echt hebt gebruikt. Aan de andere kant: ik heb ook wel eens enorm gebaald dat ik een specifieke lens thuis had gelaten. Heb je maar één lens, zoals de welbekende 18-55 mm kitlens? Geen probleem, daar kom je ook al een heel eind mee. Wil je jouw collectie uitbreiden (investeren in lenzen is meestal veel verstandiger dan investeren in een nieuwe camera)? Hier onder mijn 3 belangrijkste typen lenzen voor avontuur/reisfotografie:

Een groothoeklens

Als je de kitlens hebt is die 18mm helemaal niet zo wijd – maar meestal wel wijd genoeg voor de meeste landschap- of groepsfoto’s. Een techniek om toe te passen als je bij landschappen wijder wilt fotograferen, is het maken van panorama’s. Overlap de shots steeds voor een groot gedeelte en voeg ze later samen in Photoshop, Lightroom (in CC of 6 helemaal automatisch!) of andere software. Deze techniek heet stitching. Wil je investeren in een ultra-wide groothoek lens? Dan heb je op “betaalbare” camera’s met een APS-C sensor een lens nodig tussen de 10-16 mm. Heb je een professionele camera met een full-frame sensor, dan heb je een lens nodig met een brandpuntsafstand tussen de 16-24 mm nodig.

3 Voorbeelden van foto’s genomen met een groothoek (Canon 16-35mm f/4.0 IS):

Een ‘snelle’ standaard lens

Dat is bijvoorbeeld een 35-, 40- of 50 mm lens die het liefst een maximale diafragmaopening heeft van f/2.0, of nóg sneller. Snelheid is hier niet letterlijk: een lens die veel licht doorlaat noemen we een “snelle” lens. Dit heeft niks met de feitelijke snelheid van een lens te maken. Deze lenzen laten al snel 8x meer licht door dan je kitlens, hetgeen resulteert in mooie en “schone” beelden met weinig ruis bij weinig licht. Deze lenzen zijn ook geschikt voor allerlei soorten fotografie. De natuur wordt met name bij zonsopkomst en zonsondergang mooi door het zachte en warme licht. Juist dan zijn dergelijke lenzen erg bruikbaar en kunnen het verschil maken tussen een ISO-waarde van 6400 (bij de meeste camera’s levert dat veel ruis op) of 800/1600 (een waarde dat ook bij betaalbare camera’s goede resultaten oplevert).

3 Voorbeelden van foto’s genomen met een snelle standaard lens (Canon 50mm f/1.4) die zijn genomen bij zeer weinig licht:

Telelens

Een telelens op reis kan veel toevoegen. Men denkt vaak onterecht dat een telelens alleen maar is voor het fotograferen van dieren op grote afstand. Feit is dat de compressie van een telelens (zeg vanaf 135mm) ook zorgt voor zeer fijne portretten en landschappen. En ja, kom je een mooi dier tegen dan is een telelens van 200-300mm ideaal, zeker op een APS-C crop sensor.

3 Voorbeelden van foto’s genomen met een telelens (Canon 70-200 f/4.0 IS):

Dat waren mijn reisfotografie tips voor avontuurlijke reizen naar gebieden als Zweden en Noorwegen. Veel van deze reistips zijn natuurlijk toepasbaar op verschillende gebieden. Vragen en opmerkingen zie ik graag in de reacties hier onder!